Wij maken gebruik van cookies

Om je zo goed mogelijk van dienst te kunnen zijn, maken wij gebruik van cookies. Door de tracking cookies te accepteren, word je herkend. Zo kunnen we onze website afstemmen op jouw persoonlijke voorkeuren en kunnen we je relevante informatie en advertenties laten zien, binnen en buiten onze website. Klik op ‘Ik ga akkoord’ als je hiermee akkoord gaat. Je kunt je instellingen altijd inzien en laten wijzigen. Voor meer informatie kun je kijken bij ons cookie- en privacybeleid.

Ik ga akkoord

Altijd een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding bij renovatie? Nee!

Verhuiskostenvergoeding

Sinds 2010 is in artikel 7:220 lid 5 en lid 6 BW geregeld dat een huurder aanspraak kan maken op een minimumbijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten (2018:       € 5.993,–) als hij in verband met renovatiewerkzaamheden zijn woning tijdelijk dient te verlaten. De rechtbank Midden-Nederland heeft in een uitspraak van 17 oktober 2018 geoordeeld dat de woningcorporatie deze vergoeding in dat specifieke geval niet aan de huurder hoefde te betalen.

Logeerwoning

De woningcorporatie wenste de volgende werkzaamheden in de woning uit te voeren: het vervangen van keuken, badkamer en toilet en het verwijderen van asbest. De woningcorporatie had voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden een Sociaal Plan opgesteld, waarin was bepaald dat de huurder tijdens de werkzaamheden in de woning kon blijven wonen, maar ook ervoor kon kiezen tijdelijk in een logeerwoning te verblijven. De logeerwoning was volledig ingericht, zodat de huurder alleen kleding, beddengoed en andere persoonlijke spullen hoefde te verhuizen. De huurder in kwestie had er inderdaad voor gekozen te verhuizen naar de logeerwoning en maakte na uitvoering van de werkzaamheden aanspraak op de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding, omdat zij was verhuisd.

Uitspraak

De rechtbank volgt dit standpunt van de huurder niet. De rechtbank overweegt dat de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding bedoeld is als vergoeding van de kosten die de huurder moet maken voor het verhuizen van de inboedel naar een tijdelijke woning en weer terug naar de gerenoveerde woning. Daarnaast kunnen hiermee de kosten worden vergoed voor het inrichten van de tijdelijke woning en vervolgens de gerenoveerde woning. De rechtbank oordeelt dat nu de logeerwoning al volledig was ingericht en de huurder alleen haar persoonlijke spullen en beddengoed daarnaartoe diende te verhuizen, er geen sprake is van een verhuizing en de huurder geen aanspraak kan maken op de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding.

Gevolgen voor toekomstige renovatieprojecten

Uit het vonnis kan worden afgeleid dat een woningcorporatie niet in alle gevallen gehouden is de huurder een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding te betalen. De bouwsector is inmiddels in staat renovatiewerkzaamheden in een zeer kort tijdsbestek uit te voeren. In gevallen waarin de renovatiewerkzaamheden maar een korte tijd in beslag nemen, kan het wel eens voordeliger zijn om de huurder een volledig ingerichte logeerwoning aan te bieden dan de huurder ter vergoeding van de kosten van een verhuizing een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding te betalen. Bovendien is een dergelijke verhuizing naar een logeerwoning voor een huurder veel minder ingrijpend.

Dit is het derde vonnis, waarbij een kantonrechter tot dit oordeel komt. Het gerechtshof heeft zich hier echter nog niet over uitgesproken. Het is nog even afwachten of dit inderdaad de nieuwe lijn in de rechtspraak zal worden.

Heeft u na het lezen van deze blog vragen? Neemt u dan contact met ons op.

Deel dit online:

Marieke Douwenga

Vastgoedrecht (specialisatie Huurrecht) en Bouwrecht

Neem contact op
Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×