Wij maken gebruik van cookies

Om je zo goed mogelijk van dienst te kunnen zijn, maken wij gebruik van cookies. Door de tracking cookies te accepteren, word je herkend. Zo kunnen we onze website afstemmen op jouw persoonlijke voorkeuren en kunnen we je relevante informatie en advertenties laten zien, binnen en buiten onze website. Klik op ‘Ik ga akkoord’ als je hiermee akkoord gaat. Je kunt je instellingen altijd inzien en laten wijzigen. Voor meer informatie kun je kijken bij ons cookie- en privacybeleid.

Ik ga akkoord

Gerechtshoven oordelen: bij verhuizing als gevolg van renovatie wél altijd een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding

Terugblik

In mijn blog van oktober 2018 schreef ik over een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2018, waarin was geoordeeld dat als een huurder vanwege renovatiewerkzaamheden verhuist naar een volledig ingerichte logeerwoning, de huurder geen aanspraak kan maken op de minimumbijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten (2019: € 6.095,-). Inmiddels heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich in twee uitspraken over deze materie uitgelaten. Het gerechtshof heeft duidelijk een andere mening. 

Uitspraken

In de kwestie die heeft geleid tot de uitspraak van het gerechtshof van 11 december 2018 werd de huurster door de woningcorporatie een gemeubileerde wisselwoning aangeboden, omdat haar zoon drie dagen vóór de start van de renovatiewerkzaamheden was geopereerd en voor zijn herstel een hygiënische en rustige thuisomgeving voorgeschreven had gekregen. De huurster vordert in de procedure de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding en het gerechtshof wijst deze vordering toe. Het gerechtshof stelt vast dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege de renovatiewerkzaamheden en niet alleen vanwege het groot onderhoud. De huurster heeft drie weken in de wisselwoning verbleven en daarin aanpassingen gedaan, inventaris uit haar eigen woning meegenomen en kosten moeten maken in haar eigen woning bij terugkeer na de renovatie. Dit is voor het gerechtshof voldoende reden om de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding toe te wijzen.

In een uitspraak van datzelfde gerechtshof van 15 januari 2019 gaat het gerechtshof nog een stap verder. In die kwestie is de huurder tijdelijk verhuisd naar een al gerenoveerd appartement in hetzelfde complex. De huurder heeft zelf zijn spullen verplaatst en een deel van zijn spullen tijdelijk opgeslagen bij vrienden. Het gerechtshof overweegt dat uit de tekst van artikel 7:220 lid 5 en 6 BW in het licht van de wetsgeschiedenis blijkt dat een huurder bij verhuizing vanwege renovatiewerkzaamheden altijd aanspraak kan maken op de minimumbijdrage in de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding, zelfs als hij helemaal geen kosten heeft gemaakt. Het feit dat de huurder daar pas twee jaar na de verhuizing aanspraak op heeft gemaakt, verandert volgens het gerechtshof niets. 

Gevolgen

Het gevolg van deze uitspraken is dat huurders van al gerenoveerde woningen of nog te renoveren woningen, die vanwege de renovatiewerkzaamheden zijn verhuisd naar een volledig ingerichte logeerwoning, alsnog aanspraak kunnen maken op de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding zélfs als zij hier contractueel vanaf hebben gezien.

Het is jammer dat het gerechtshof de praktische uitleg van de kantonrechters niet volgt. Met de uitleg van het gerechtshof worden de bijna onbetaalbare renovatieprojecten nóg duurder. Bovendien zullen woningcorporaties vaker tot de conclusie komen dat het voor de uitvoering van de renovatiewerkzaamheden niet noodzakelijk is dat de huurder verhuist. Slechts in uiterste gevallen, bijvoorbeeld bij ziekte van een huurder, zal een vervangende woonruimte worden aangeboden, waarbij de huurder waarschijnlijk zelf dient zorg te dragen voor de verhuizing en de inrichting, want daarvoor ontvangt de huurder immers de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding. Is de huurder dan daadwerkelijk beter af? Dat valt zeer te betwijfelen.

Dit zijn de eerste uitspraken van het gerechtshof waarin deze strakke uitleg van de wet wordt gehanteerd. Het is wachten op een uitspraak van de Hoge Raad over dit onderwerp. 

Tips voor toekomstige renovatieprojecten

Vaak wordt tegelijk met het nemen van verduurzamingsmaatregelen ook planmatig onderhoud uitgevoerd, bijvoorbeeld vervanging van de badkamer en keuken. Het zijn met name deze laatste werkzaamheden waar huurders vaak veel overlast van ondervinden en waardoor een noodzaak tot verhuizing ontstaat. Als de badkamer en keuken echter slechts worden vervangen, maar niet worden verbeterd en/of uitgebreid, dan zijn deze werkzaamheden te kwalificeren als onderhoudswerkzaamheden en niet als renovatiewerkzaamheden. Als de huurder moet verhuizen vanwege onderhoudswerkzaamheden dan heeft de huurder geen recht op de verhuis- en inrichtingskostenvergoeding. De woningcorporatie doet er dan ook goed aan om in het sociaal plan een scherp onderscheid te maken tussen onderhouds- en renovatiewerkzaamheden, zo blijkt ook uit de recente uitspraak van de rechtbank Den Haag. In die uitspraak had de woningcorporatie gespecificeerd welke werkzaamheden dienden te worden aangemerkt als renovatiewerkzaamheden, hoeveel tijd deze werkzaamheden in beslag namen en dat de huurder daarvoor niet hoefde te verhuizen. De rechtbank heeft deze toelichting overgenomen en daaruit geconcludeerd dat nu de huurder vanwege de renovatiewerkzaamheden niet hoefde te verhuizen, aan de huurder geen vergoeding toekwam.

Heeft u na het lezen van deze blog vragen? Neemt u dan contact met ons op.

Deel dit online:

Marieke Douwenga

Vastgoedrecht (specialisatie Huurrecht) en Bouwrecht

Neem contact op
Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×